Een groot deel van de Gentse woningen is oud. In wijken als de Brugse Poort, Rabot, Sluizeken-Tolhuis-Ham, de Muide en Dampoort, en in Ledeberg en Sint-Amandsberg, staan veel rijwoningen uit de late 19de en vroege 20ste eeuw, gebouwd voor arbeiders van de textielindustrie. Ze hebben vaak een smal zadeldak tussen twee gemene muren, een achterbouw met plat dak en een zolder die nooit voor bewoning bedoeld was. Beluiken, rijtjes kleine huizen achter een poort, zijn nog op verschillende plaatsen te vinden.
Rond het station Gent-Sint-Pieters, in de Kunstenwijk bij het Citadelpark en langs de oude invalswegen staan ruimere burger- en herenhuizen, soms met mansardedaken, dakkapellen en bakgoten achter een kroonlijst. In de historische kern, met onder meer het beschermde stadsgezicht van het Patershol, gaat het vaak om beschermd erfgoed of gebouwen op de erfgoedinventaris, waar elke ingreep aan het dak met zorg moet gebeuren.
De deelgemeenten buiten de ring, zoals Mariakerke, Wondelgem, Drongen, Afsnee, Sint-Denijs-Westrem, Zwijnaarde en Gentbrugge, kregen vooral na de Tweede Wereldoorlog nieuwe wijken met halfopen en vrijstaande woningen. In het noorden, in Oostakker, Desteldonk, Mendonk en Sint-Kruis-Winkel, ligt de bebouwing meer verspreid tussen het havengebied en de landbouwgrond.