De inventaris van het bouwkundig erfgoed toont goed hoe Wetteren gegroeid is. Rond het station, gebouwd tussen 1837 en 1848, ontstond een stadskern met burgerhuizen en villa's, zoals een villa uit 1927 aan de Victor Van Sandelaan. Daarnaast verschenen er reeksen arbeiderswoningen: rond 1909 aan de Massemsesteenweg, tussen 1922 en 1925 in de Eigendakstraat en in 1935 aan de Koningin Astridlaan. Na de oorlog volgde De Nieuwe Tuinwijk, gebouwd van 1952 tot 1957.
Die arbeiderswoningen en tuinwijkhuizen hebben veel gemeen: een of anderhalve bouwlaag, een zadeldak dat doorloopt over meerdere woningen, kleine zolders en vaak een later aangebouwde keuken of badkamer achteraan. De daken zijn soms al eens vernieuwd, maar de isolatie blijft dikwijls beperkt tot een dunne laag tussen de kepers.
In Massemen staan nog sporen van de oude dorpsbebouwing: de Sint-Martinuskerk, de vroegere dorpsschool en lage rijhuizen zoals een dorpswoning uit 1901 met een leien zadeldak. Hoeve Prinsenhof, met een woonhuis uit de achttiende eeuw op een terp, ligt tegenover de kerk. Ten noorden van de Schelde liggen de Kalkense Meersen, een open meersengebied dat Wetteren deelt met Laarne, Berlare en Wichelen.